Langs de Moezel
Even weg
We waren een paar dagen in een fijn hotel in het rustige Eifelgebergte. Wat een prachtig gebied op nog geen vier uur rijden van de Randstad! Het is een andere wereld daar. Rustiger, vriendelijker, schoner en, wij zijn tenslotte Hollanders, ook wat goedkoper. Ook In Nederland is de provincie anders dan het stedelijke Westen, toch voelde het in dat laaggebergte anders aan dan een weekendje in de Achterhoek. Ons land is nu eenmaal overbevolkt. Waar je ook bent in Nederland, het is altijd dichtbij een snelweg, vinex-nieuwbouw of blokkendozen op een lelijk industrieterrein. Dat is in de Eifel merkbaar anders en dat is een verademing.
Al die natuur daar is prachtig, maar er moest natuurlijk toch een stad worden bezocht. Dat was Trier. De benaming stad is wat overdreven, stadje is beter want meer dan honderdduizend inwoners heeft Trier niet. Bij binnenkomst staat een bord waarop de toerist trots wordt verteld dat het Duitslands oudste stad is, al voor de jaartelling gesticht door de Romeinen. We lopen wat door de fraaie binnenstad en – hoe kan het anders – stuiten op een steegje: De Judengasse. Google vertelde ons dat het steegje al in de 11de eeuw bestond en de grens was van de Joodse wijk. Meer dan driehonderd Joden hebben er nooit gewoond. Wel was de gemeenschap redelijk welvarend en relatief invloedrijk op de hen welgezinde bisschoppen die de stad bestuurden. Tot de volgende epidemie uiteraard en de pogrom die daarop onvermijdelijk volgde.
Terug in het hotel waren we nieuwsgierig naar ander Joods leven in de Eifel. We bleken vlak bij het stadje Wittlich te logeren, daar was een Joods museum in de vroegere synagoge. Wittlich bleek een nogal saai dorp te zijn maar het museum was interessant. De sjoel was er nog, nooit meer gebruikt uiteraard. Wel waren er foto’s van de gezinnen die er ooit hadden gewoond, een geredde Thora-rol, de gebruikelijke Joodse parafernalia.
De foto’s vertelden een tragikomisch verhaal over de overvloed aan koosjere slagers in het stadje. De gilden waren voor Joden niet toegankelijk maar het vak van slager viel daar niet onder. De wijnhandel en veehandel trouwens ook niet maar vooral de slagers waren oververtegenwoordigd in het dorp. De niet-Joodse slagers konden de concurrentie met hun Joodse vakgenoten niet aan. De koosjere slager was goedkoper en leverde veel betere kwaliteit. Dus gingen de niet-Joodse slagers klagen bij de bisschop die hun natuurlijk gelijk gaf. De koosjere slagers moesten weg uit Wittlich. Ze trokken naar een dorp één of twee bergen verder. En met hen de hele gemeenschap. En ook daar herhaalde de geschiedenis zich. Altijd weer.
Cochem, in dezelfde streek, is een veel mooier stadje dan Wittlich. Misschien wel het mooiste stadje langs de Moezel. Dat vinden meer mensen en het was er dan ook vol met toeristen. Wat te toeristisch naar onze smaak. In het hele centrum is er geen gewone winkel te bekennen, vreettenten alom. Daarvoor hadden we wel in Amsterdam kunnen blijven. En toch, zelfs al je er absoluut niet naar op zoek bent, werden we zelfs daar geconfronteerd met het verleden. Op het allerdrukste punt van dat toeristenstadje, zagen we drie stolpersteine. Van een familie die in 1939 naar Nederland is gevlucht. En daar in Westerbork terechtkwam, nog vóór de nazibezetting. Het einde van de familie is helaas bekend.
Al die toeristen liepen nietsvermoedend over die paar koperen plaatjes. Het stemde ons wat weemoedig. We dronken maar een glaasje plaatselijke moezelwijn. Die smaakte heerlijk.

